Genderzorg: verzekerd op papier, maar bereikbaar in de praktijk?

 

🔹Je hebt zorg nodig.

🔹Je bent verzekerd.

🔹Je meldt je aan.

🔹En dan begint het wachten.

🔹Van jaren.

 

Voor iemand met genderdysforie is dat niet zomaar een wachttijd. Het betekent dat je ondertussen gewoon verder moet. Naar je werk, naar school, naar afspraken, naar familie, naar buiten. Terwijl je misschien iedere dag worstelt met je eigen lichaam. Maar wie kijkt er eigenlijk naar de mens achter die wachtlijst?

 

We praten veel over de lange wachtlijsten binnen de genderzorg. Over te weinig zorgverleners, te weinig plekken en een grote vraag naar zorg. Maar er is nog een andere partij die een belangrijke rol speelt: de zorgverzekeraar. Hoe wordt er eigenlijk naar zorgverzekeraars gekeken?

 

Vaak als een organisatie die vooral bezig is met regels, vergoedingen en kosten. En eerlijk is eerlijk: zorgverzekeraars hebben nu eenmaal met regels en geld te maken. Maar achter iedere zorgvraag zit een mens. 

  • Een mens met een verhaal. 
  • Een mens die misschien al jaren probeert om hulp te krijgen.

 

Begrijpen we elkaar wel?

Misschien ligt daar een deel van het probleem. 

Een zorgverzekeraar ziet een zorgvraag.

Een zorgverlener ziet een patiënt.

Maar de patiënt ervaart iets heel anders.

Een patiënt ervaart iedere dag wat het betekent om te wachten op zorg die voor hem of haar ontzettend belangrijk kan zijn. Daarom denk ik dat we niet alleen moeten praten over 'meer zorg', maar ook over 'betere samenwerking en wellicht wat beter begrip'. 

 

  • Wat heeft iemand werkelijk nodig?
  • Moet iedereen hetzelfde zorgpad volgen?
  • Kunnen sommige mensen eerder geholpen worden met andere vormen van begeleiding?
  • En hoe voorkomen we dat iemand jarenlang van wachtlijst naar wachtlijst gaat?

 

De zorgverzekeraar als partner, niet als tegenstander

 

Misschien moeten we anders naar elkaar gaan kijken. Niet: 'de zorgverzekeraar begrijpt ons niet'. Maar: Wat hebben we nodig om ervoor te zorgen dat de zorgverzekeraar ons wél beter begrijpt? Daarvoor zijn gesprekken nodig tussen patiënten, zorgverleners en verzekeraars.

 

Niet alleen over cijfers en kosten. Maar ook over wat genderdysforie betekent in het dagelijks leven. Want een wachtlijst is een cijfer. Maar achter ieder cijfer zit een mens. En misschien begint betere genderzorg wel bij het besef dat we niet alleen een zorgprobleem moeten oplossen. Belangrijker nog: we moeten vooral zorgen dat de mens achter het zorgprobleem niet wordt vergeten. 

 

Mijn vraag aan zorgverzekeraars: Als u één dag zou kunnen ervaren wat een patiënt tijdens die lange wachttijd ervaart, zou u dan anders naar genderzorg kijken? 

"Wat hebben we nodig om ervoor te zorgen dat zorgverzekeraars niet alleen de zorg begrijpen, maar ook de mens achter de zorg?”


Trauma eerst verwerken?

Er is nog iets waar ik vragen over heb. Ik hoor steeds vaker verhalen/berichten van mensen die eerst een traject voor traumaverwerking moeten volgen voordat er wordt besloten om met hormoonbehandeling te starten. Daar zet ik vraagtekens bij. Want wat als een deel van dat trauma juist is ontstaan doordat iemand al jarenlang worstelt met genderdysforie en met een lichaam dat niet bij het eigen ervaren gevoel past? Dan ontstaat er een bijzondere situatie.

 

Je zegt tegen iemand: “Verwerk eerst je trauma, daarna kijken we verder.” Maar wat als een deel van dat trauma juist wordt gevoed door het probleem waarvoor iemand hulp zoekt. Natuurlijk kan trauma invloed hebben op hoe iemand zich voelt en op de keuzes die iemand maakt. En natuurlijk is het belangrijk om daar serieus naar te kijken. Maar ik vraag mij af of we niet soms te snel van oorzaak en gevolg uitgaan. 

Moet iemand eerst volledig van zijn trauma af zijn voordat er naar de genderdysforie gekeken kan worden? Of kunnen beide naast elkaar bestaan en misschien zelfs tegelijk worden behandeld? Daar ligt voor mij een belangrijke vraag.

 

Zoals ik in mijn vorige blog schreef, vraag ik mij namelijk af hoe er naar trauma wordt gekeken, en wat de aanleiding is van trauma. Of in een ander blog waar ik over schreef: hebben we de biologische kant van genderdysforie niet te veel uit het oog verloren?

 

Misschien moeten we daarom niet alleen kijken naar wat er psychologisch met iemand is gebeurd, maar ook naar de vraag: Wat heeft deze persoon nodig om verder te kunnen?