Wie discrimineert eigenlijk wie?

 

Wanneer we horen dat LHBTIQA+ personen discriminatie ervaren, denken we waarschijnlijk al snel aan discriminatie vanuit de samenleving.

 

Dat gebeurt ook.

De Lhbtiqa+ Monitor 2024 van Movisie, Panteia en Ipsos I&O laat bijvoorbeeld zien dat LHBTIQA+ personen vaker discriminatie ervaren dan niet-LHBTIQA+ personen. 

 

Maar er staat in hetzelfde onderzoek nog iets interessants. Iets wat je op de samenvattende webpagina van Movisie niet direct tegenkomt.

 

Discriminatie binnen de eigen gemeenschap

 

In hoofdstuk 6.7 van het volledige rapport wordt namelijk specifiek gekeken naar “Discriminatie door (andere) lhbtiqa+ personen”.

 

De onderzoekers vroegen deelnemers expliciet of zij zich door één of meerdere LHBTIQA+ personen gediscrimineerd hadden gevoeld. De uitkomst is duidelijk: verschillende LHBTIQA+ groepen rapporteren ook discriminatie door andere mensen uit de LHBTIQA+ gemeenschap. De onderzoekers noemen dit intra-groepdiscriminatie.

 

Het gaat dus niet alleen om een theoretische mogelijkheid. De monitor noemt bijvoorbeeld dat non-binaire deelnemers zich soms niet helemaal welkom voelen binnen de transgemeenschap. Als voorbeelden worden onder andere verkeerde voornaamwoorden en de opmerking dat non-binair zijn slechts een fase zou zijn genoemd. Ook wordt in het rapport een voorbeeld genoemd van een trans man die afwijzing van homoseksuele mannen ervaart omdat hij als "te vrouwelijk" wordt gezien.

 

Bij LHBTIQA+ personen van kleur wordt in een focusgroep eveneens beschreven dat deelnemers discriminatie ervaren van andere LHBTIQA+ personen. Het rapport noemt daarbij onder andere ervaringen met uitsluiting op datingprofielen en fetisjering.

 

Hoe groot is dat? Ook daar geeft de monitor cijfers over. Van de ondervraagde groepen gaf bijvoorbeeld 9% van de trans personen en 14% van de non-binaire personen aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld door LHBTIQA+ personen. Bij homoseksuele personen was dat 4%, bij lesbische personen 5% en bij bi+ personen 5%. Onder LHBTIQA+ personen van kleur was dit 13%.

 

De aantallen deelnemers verschillen overigens sterk per groep. Zo bestond de transgroep in deze tabel uit 22 respondenten en de non-binaire groep uit 72 respondenten. Dat betekent dat je met deze percentages voorzichtig moet omgaan en ze niet moet gebruiken alsof ze een precieze afspiegeling van alle trans of non-binaire mensen in Nederland zijn. Dat is juist een belangrijk onderdeel van eerlijk naar onderzoek kijken. Waarom staat dit niet prominent in de samenvatting?

 

Dat vind ik een interessante vraag.

 

Op de openbare webpagina van de Lhbtiqa+ Monitor worden de belangrijkste bevindingen samengevat. Daar staat onder meer dat LHBTIQA+ personen vaker discriminatie ervaren dan niet-LHBTIQA+ personen. De specifieke bevinding over discriminatie door andere LHBTIQA+ personen staat daar niet tussen. Je moet daarvoor het volledige rapport openen en naar hoofdstuk 6.7 gaan. Dat betekent niet automatisch dat Movisie dit bewust heeft weggelaten. Daarvoor heb ik geen bewijs. Maar het laat wel zien hoe belangrijk het is om bij onderzoeksresultaten soms verder te kijken dan een samenvatting of een krantenkop.

 

Discriminatie is geen wedstrijd

 

Het is overigens niet de bedoeling om hiermee te suggereren dat discriminatie binnen de LHBTIQA+ gemeenschap groter zou zijn dan discriminatie vanuit de samenleving. Dat concludeert dit onderzoek ook niet. De monitor onderzoekt verschillende vormen van discriminatie en verschillende groepen. De cijfers laten vooral zien dat discriminatie uit meerdere richtingen kan komen. En dat is misschien wel de interessantste conclusie. Een LHBTIQA+ persoon kan discriminatie ervaren van iemand buiten de gemeenschap. Maar een LHBTIQA+ persoon kan zich óók uitgesloten voelen door iemand binnen diezelfde gemeenschap. Dat kan naast elkaar bestaan. Eén gemeenschap betekent niet één ervaring

 

Onder de grote LHBTIQA+-paraplu zitten mensen met verschillende seksuele oriëntaties, genderidentiteiten en lichamelijke kenmerken. Dat betekent automatisch dat ervaringen niet altijd hetzelfde zijn. Wat voor de ene groep belangrijk is, kan voor een andere groep minder herkenbaar zijn. En soms kunnen belangen of opvattingen zelfs botsen. Dat hoeft niet meteen discriminatie te zijn.

 

  • Een meningsverschil is geen discriminatie.
  • Een andere visie is geen uitsluiting.
  • En iemand niet volledig begrijpen is ook niet automatisch discrimineren.

 

Maar wanneer iemand vanwege wie die persoon is structureel wordt buitengesloten of negatief wordt behandeld, kan dat wel degelijk een vorm van discriminatie zijn. En volgens de Lhbtiqa+ Monitor 2024 komt dat dus ook binnen de eigen gemeenschap voor.

 

Misschien moeten ze voortaan een andere vraag stellen

 

Wanneer een onderzoek zegt: “LHBTIQA+ personen ervaren discriminatie” is dat belangrijke informatie. Maar als we echt willen begrijpen wat er gebeurt, zijn aanvullende vragen minstens zo belangrijk:

 

  • Wie discrimineert?

 

  • Waar gebeurt het?

 

  • Om welke reden?

 

  • En komt de persoon die discrimineert uit dezelfde gemeenschap of juist niet?

 

Want als we discriminatie serieus nemen, zouden ze misschien dezelfde maatstaf moeten gebruiken voor iedereen. Niet om iemand aan te wijzen. Maar om beter te begrijpen wat er werkelijk gebeurt. Want inclusie betekent uiteindelijk niet alleen dat de samenleving ruimte maakt voor de LHBTIQA+ gemeenschap. Het betekent ook dat er binnen die gemeenschap ruimte moet kunnen zijn voor verschillen.

 


<-!- Google tag (gtag.js) -->