Werd er vroeger eigenlijk op DSD onderzocht?

BLOG

 

In 1987 kwam ik voor de eerste keer bij de genderpoli van het VU in Amsterdam. Dat was een andere tijd. De medische kennis over transseksualiteit was volop in ontwikkeling en de diagnostiek zag er anders uit dan tegenwoordig. 

 

Bij mij zijn later XY-chromosomen vastgesteld. Dat gegeven roept bij mij een vraag op die steeds interessanter is geworden: wat werd er destijds eigenlijk onderzocht bij mensen die bij de genderpoli kwamen? 

Welke somatische diagnostiek werd in 1987 door het VU-genderteam standaard uitgevoerd bij volwassenen die werden onderzocht wegens vermeende transseksualiteit, en maakte karyotypering of onderzoek naar DSD daar onderdeel van uit?

 

Dat is geen vraag om met de kennis van nu het verleden te veroordelen. Het is vooral een historische vraag. Want een diagnose transseksualiteit uit de jaren 70, 80 of 90 betekent niet automatisch dat er destijds ook uitgebreid onderzoek naar een mogelijke DSD/intersekse-variatie heeft plaatsgevonden. Als bepaalde onderzoeken nooit zijn gedaan, kun je achteraf ook niet zomaar zeggen dat een DSD daarmee is uitgesloten.

 

DSD was binnen het VU-team geen onbekend onderwerp

 

Dat maakt deze vraag voor mij juist interessant. DSD/intersekse was binnen het wetenschappelijke denken van het VU-team beslist geen onbekend onderwerp. Louis Gooren publiceerde er zelf over. Zo verscheen er onderzoek over een patiënt met 46,XY en partiële androgeenongevoeligheid (AIS), waarbij onder meer onderzoek naar de androgeenreceptor werd verricht. [Lees de publicatie van Gooren en Cohen-Kettenis](https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/1747041/?utm_source=chatgpt.com)

 

Het onderwerp bestond dus binnen de wetenschap en binnen het VU-team. En dat roept voor mij een andere vraag op: Werd iedere persoon die zich in die periode met transseksualiteit bij de genderpoli meldde ook daadwerkelijk onderzocht op mogelijke variaties in de geslachtsontwikkeling? Dat weet ik op dit moment dus niet, en dát zou ik graag willen weten. 

 

Een oude diagnose is namelijk niet hetzelfde als een oude uitsluiting

 

Als iemand uit de jaren 70, 80 of 90 tegenwoordig concrete redenen heeft om een DSD te vermoeden, waarom zou de oude diagnose transseksualiteit op zichzelf een reden zijn om nieuw DSD-onderzoek niet te overwegen? Dat betekent niet dat iedere transgender persoon opnieuw op DSD onderzocht moet worden. Het betekent misschien wel dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen: "DSD is destijds onderzocht en uitgesloten" en "DSD is destijds niet onderzocht." Dat zijn twee verschillende dingen.

 

Misschien staat het antwoord gewoon ergens in een oud protocol, proefschrift of patiëntendossier. Daarom ben ik vooral benieuwd naar de geschiedenis van de VU-genderpoli in die periode. Niet om het verleden te herschrijven. Maar om te begrijpen wat er toen daadwerkelijk werd onderzocht.


Frederik Engel Jeltsema

Frederik Engel (kortweg Free) Jeltsema (1879-1971) was een beeldhouwer en schilder die tot zijn 27ste als vrouw door het leven ging. Waarschijnlijk was hij een persoon met wat de huidige maatschappij zou omschrijven als een intersekse-conditie, maar met meer mannelijke dan vrouwelijke kenmerken. Hij voelde zich dan ook meer mannelijk dan vrouwelijk, en besloot daarom in 1906 zijn ‘transitie’ door te maken, zoals het tegenwoordig genoemd wordt. Zonder lichamelijke aanpassingen maar met bijvoorbeeld een verandering van kledingkeuze. Hij is de rest van zijn leven gelukkig geweest met zijn twee vrouwelijke partners en is altijd als kunstenaar actief gebleven.

 

Auteur: Patrieck de Haan

 

Een jongetje of een meisje?

 

Frederik Engel Jeltsema werd geboren in het Noord-Groningse plaatsje Uithuizen. Het was bij zijn geboorte niet duidelijk wat het geslacht was, maar Free werd met de naam Frederika Engelina als een zij ingeschreven in het geboorteregister. Het boerengezin begon echter te twijfelen en op driejarige leeftijd lieten haar ouders haar controleren door een dokter. Hans Rudolph Ranke, hoogleraar heelkunde in Groningen, constateerde vervolgens dat het kind meer ‘mannelijk’ dan ‘vrouwelijk’ was.

 

Tegenwoordig zou dit waarschijnlijk als een intersekse-conditie gelabeld worden. Jeltsema’s ouders stonden voor de keuze wat nu te doen. Het drie jaar oude kind had al allemaal vrouwenkleertjes en de buitenwereld kende haar als een meisje. Ze besloten het zo te laten en het geboorteregister ongewijzigd te laten.

 

Iets meer dan tien jaar later gaf Jeltsema aan naar de Academie Minerva in Groningen te willen

Aanvankelijk met als doel tekenleraar te worden, maar later besefte ze dat beeldhouwen meer haar passie was. Jeltsema verhuisde naar Amsterdam om tot beeldhouwer te worden opgeleid. Aan de Rijksakademie voor beeldende kunsten had haar mentor Ferdinand Leenhoff al snel door wat voor talent er in haar school. Om gezondheidsredenen vertrok hij in 1901 echter naar Parijs. Jeltsema besloot hierop naar Rome te vertrekken en woonde daar een tijdlang bij een Italiaans-Nederlandse schilder. Aldaar ontving zij in 1902 de Prix de Rome, in die tijd Nederlands meest prestigieuze kunstprijs, uitgereikt door de Rijksakademie. Met het prijzengeld besloot ze naar Parijs te vertrekken, waar ze weer kon studeren bij Ferdinand Leenhoff.

 

Haar tijd in Parijs ervoer Jeltsema als lastig. ‘Ik voel me hier niet thuis in deze wufte ondegelijkheid,’ schreef ze aan haar Nederlandse vriendin Jo Schreve-IJzerman in 1903. Met mannelijke modellen werken was lastig in haar appartement, aangezien ‘dit onaangenaamheden zou geven met den huisheer’. Ze verlangde terug naar Nederland, maar ze verlangde nog meer om haar lichaam niet meer te hoeven verbergen achter grote japonnen en ruimvallende jassen. Ze schreef dit aan vriendin Schreve-IJzerman en haar partner Frits Schreve, die dokter was. Met zijn drieën stelden ze een plan op.

 

De metamorfose

 

In april 1906 liet Jeltsema zich in eerste instantie lichamelijk controleren door Frits Schreve. Zijn oordeel: Jeltsema had absoluut meer mannelijke dan vrouwelijke lichaamskenmerken. Een opluchting voor hem, die zelf al eerder geuit had ‘stellig geen hermaphrodiet of androgyne te zijn’ – twee woorden die tegenwoordig niet meer salonfähig zijn, maar in die tijd heel gebruikelijk. Het eerste betekent dat je zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken had, het andere dat je je ofwel man en vrouw voelt, ofwel beide niet. Allebei dus niet van toepassing op Jeltsema: hij voelde zich meer mannelijk en was lichamelijk ook meer mannelijk, aldus Schreve.

 

Toen ging het snel. De advocaten Nauta & Pit lieten de geboorteakte van Jeltsema in Groningen wijzigen in Frederik Engel; Schreve-IJzerman kocht in Amsterdam een complete mannelijke garderobe voor hem en al zijn belangrijke vrienden werden op de hoogte gesteld.

 

De metamorfose vond plaats op 7 april 1906, toen Jeltsema ook zijn haar kort liet knippen. In Uithuizen vonden zijn ouders het lastig hoe ‘de omgeving’ hen er mogelijk over ‘aan zou spreken’, maar ze lijken het hun zoon uiteindelijk wel gegund te hebben. Direct na de ‘transitie’ vertrok Jeltsema naar Parijs, om met Ferdinand Leenhoff door te trekken naar Florence. In de zomer stroomden daar de brieven van familieleden en vrienden binnen die pas later op de hoogte waren gesteld van de metamorfose. Een vriend schreef veelbetekenend: ‘Ik ben blij dat hij nu vrij mensch zal kunnen zijn.’

 

Jeltsema was open over zijn nieuwe persoonlijkheid, maar behield ook zijn reserves. ‘Ik ben aan niemand een verklaring schuldig, daar hun de hele zaak doodeenvoudig niet aangaat,’ schreef hij vanuit Florence aan een vriend die iets te ver doorvroeg. Dat was ook niet onterecht. Sommige berichten in de pers waren bijvoorbeeld minder prettig, en lieten vooral duidelijk de zeer scheve man-vrouwverhoudingen zien die er nog bestonden in het Nederland van net voor de Eerste Wereldoorlog. Door de gebeurtenis kon ‘thans zijn groot talent zich breeder nog ontplooien nu hij is weergegeven aan het geslacht waartoe hij werkelijk behoort’, aldus de Telegraaf. Oftewel: als mannelijke beeldhouwer stel je iets voor, als vrouwelijke niet.

 

Later die zomer keerde Jeltsema terug naar Nederland, om zich na de oorlog uiteindelijk definitief te settelen in Den Haag. Vanaf de jaren twintig was zijn beeldhouwstijl minder in trek, maar hij bleef schilderen en had bovendien al een behoorlijk vermogen opgebouwd. Hij leefde gelukkig samen met zijn vrouw. Zij stierf in 1956, waarna hij snel hertrouwde. Free Jeltsema overleed uiteindelijk in 1971 op de leeftijd van 91 jaar.

 


Foekje Dillema

Foekje Dillema (1926-2007) was een Nederlandse sprintster op de 100 en 200 meter die in 1950 permanent geschorst werd door de Nederlandse Atletiekunie wegens het weigeren van een geslachtstest. Dillema werd geboren met een intersekse-conditie en was waarschijnlijk niet door de keuring gekomen. Hierdoor heeft zij haar sportcarrière moeten opgeven en heeft ze haar verdere leven gezwegen over het onderwerp.

 

‘Kind, je moet aan atletiek gaan doen’

 

Foekje Dillema werd in 1926 geboren in een Fries dorpje Burum, als derde kind in een gezin van acht. Haar ouders waren arm en Foekje moest net als haar andere zussen vaak meehelpen in het huishouden. Tijdens de oorlogsjaren en met name in de Hongerwinter was er geld noch tijd voor Foekje om te sporten. Maar toen zij tijdens een gymles in 1946 iedereen eruit liep, schijnt de instructeur gezegd te hebben: ‘Kind, je moet aan atletiek gaan doen.’

 

Gelukkig was atletiek geen sport waar je erg rijk voor moest zijn. In 1948 liep Foekje haar eerste wedstrijd op sokken en meldde zij zich aan bij atletiekvereniging Vitesse in Leeuwarden. In 1949 was haar internationale doorbraak. Ze won op de 200 meter tijdens een interland tegen Italië en was bij een individuele race in Londen de sterkste op zowel de 100 als 200 meter. Fanny Blankers-Koen had op dat moment het nationaal record op de 100 meter, 11,7 seconden, maar dit werd in juni 1950 door Dillema overgenomen. Even was ze de snelste vrouw ter wereld.

 

Ze zeggen dat ik geen meid ben

 

Een maand later ging het mis. Op 23 augustus zou het Europees Kampioenschap plaatsvinden in Brussel, maar besloot het IAAF dat er eerst een geslachtskeuring zou moeten plaatsvinden in het land van herkomst. Dit weigerde Dillema. Vijf dagen nadat de keuring plaats had moeten vinden, op 8 juli, zou Dillema naar Frankrijk reizen voor een internationale wedstrijd. Ze werd echter tegengehouden op het station van Amsterdam. Een telegram van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie (KNAU) had haar niet op tijd bereikt, vandaar dat men haar nu persoonlijk de boodschap kwam brengen: ze was voor het leven geschorst. Haar biograaf en sporthistoricus, Max Dohle, stelt dat haar weigering van de keuring hier de directe aanleiding voor was.

 

Dillema, nog altijd maar 23 jaar, was ontroostbaar. Zelf ervaarde ze haar lichaam als een vrouwenlichaam. Totaal verward schijnt ze tegen haar teamgenoten geroepen te hebben: ‘Ze zeggen dat ik geen meid ben.’ Gedesillusioneerd keerde ze terug naar Friesland, waar ze nog een tijd atletiek heeft bedreven op laag niveau, maar daarnaast huisvrouw werd. Haar naasten wisten ook geen raad met de situatie. Bij familieleden werd bekend dat zij na haar schorsing in het ziekenhuis was ‘geholpen aan haar klieren’, waarmee de kous af was. Waarschijnlijk zijn haar niet-ingedaalde testikels verwijderd, maar daar bestaat geen volledige duidelijkheid over.

 

Moderne inzichten

 

Na haar dood werd door Andere Tijden Sport een poging ondernomen om, in samenwerking met de familie, uit te laten zoeken hoe het bij Dillema genetisch precies in elkaar stak. Duidelijk werd dat ze waarschijnlijk een intersekse-conditie gehad heeft, waarbij er cellen met XY-chromosomen ontstaan zijn (mannelijk), maar ook cellen met XX-chromosomen (vrouwelijk), waar Dillema er meer van had.

 

De balans was ongeveer een derde tegenover twee derde. Met andere woorden: ze had zelfs binnen het intersekse-spectrum een zeldzame variant overgeërfd, waarbij ze zogezegd iets meer vrouwelijke kenmerken bezat, maar ook een paar mannelijke, zoals niet-ingedaalde testikels. Dit in tegenstelling tot de meest voorkomende intersekse-conditie waarbij iemand evenveel XY-cellen als XX-cellen bezit. Door deze zeldzame variant produceerde Foekje waarschijnlijk iets meer testosteron dan haar ‘volledig vrouwelijke’ collega-sportsters, waardoor zij iets sneller kon rennen.

 

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat bij vrijwel alle vrouwelijke intersekse-condities de testosteronproductie zorgt voor iets meer voordeel dan vrouwen zonder deze conditie. Deze voordelen zijn echter niet significant als je ze vergelijkt met de verschillen tussen mannen en vrouwen (bijvoorbeeld de verschillende wereldrecords). De intersekse-voordelen (gemeten in tijd) bedragen ongeveer 2 tot 5%, waar de verschillen tussen mannen en vrouwen eerder richting de 10-15% gaan. Bovendien zijn de voordelen vooral aanwezig vanaf de 400 meter, terwijl Dillema alleen maar actief was op de 100 en 200 meter. Anders gezegd: met de intersekse-conditie die ze bezat, zou ze tegenwoordig deel hebben mogen nemen aan wedstrijden.

 

Na haar dood heeft de KNAU excuses aangeboden aan de nabestaanden van Dillema voor het feit dat de unie haar na haar schorsing zo aan haar lot heeft overgelaten. Zelf had Dillema de boot afgehouden toen de unie haar nog tijdens haar leven wilde benaderen. Inmiddels is haar naam weer opgenomen in de ranglijsten aller tijden, en staan er in Friesland tegenwoordig twee monumenten ter ere van de sprintster. Mooie tekens van eerherstel, maar haar sportcarrière heeft Foekje Dillema er niet mee teruggekregen.